Stop nooit op een slecht moment.

Km 75. Bello Gallico. December 2025. 

Mijn knie blokkeerde — niet “deed wat pijn”, maar blokkeerde echt, alsof er iets binnenin vastklikte en weigerde los te komen — en in de seconden die volgden wist ik dat er iets fundamenteel mis was, maar ik liet die gedachte niet verder dan mijn knie komen. Ik zette een stap. Nog een. De pijn schoot van mijn hiel tot in mijn heup bij elke aanraking met de grond. Dit was niet lang uit te houden — en toch hield ik het uit, omdat de gedachte om te stoppen gewoon nog niet in me was opgekomen. 

Op km 80 was er een checkpoint, warm eten, en een verzorgster die mijn knie bekeek, haar hoofd schudde, en hem intapete met de eerlijke woorden dat ze hiermee niet kon garanderen dat ik zou finishen, waarna ze me vroeg of ik verder wilde gaan. 

Ik keek haar aan, oprecht verwonderd, omdat die vraag voor mij geen vraag was. De gedachte om te stoppen had zich nog niet eens gevormd — er was geen ruimte voor, geen moment waarop ik die mogelijkheid had toegelaten — en dus zei ik “uiteraard, tuurlijk ga ik verder” op een toon die waarschijnlijk verbaasder klonk dan ze verwacht had. Ik liep verder. Met die knie,  stap na stap, tot km 116, na kilometers tanden bijten, mijn trailstokken gebruikend als krukken, waar mijn lichaam me uiteindelijk geen keuze meer liet en ik moest opgeven. 

Het heeft een tijdje geduurd voor ik dat mentaal verwerkt had, en eerlijk gezegd doet het nog steeds pijn als ik eraan terugdenk — niet de fysieke pijn, maar het gevoel van die opgave, het moment waarop ik stopte terwijl ik zo ver was gekomen. Maar hier is wat ik op die 41 kilometer tussen km 75 en km 116 geleerd heb, terwijl ik mezelf voortbewoog op stokken die eigenlijk geen krukken waren: opgeven doe je niet als het zwaar wordt, je geeft pas op als er werkelijk geen andere mogelijkheid meer is — en zelfs dan kom je terug. 

Het leven is geen sprint, het is een ultra, en wie dat verschil nog niet heeft gevoeld, heeft nog nooit op een punt gestaan waarop zijn hersenen hem eerlijk vertelden dat het voorbij was terwijl het lichaam toch nog een stap zette. Want dat gebeurt er: ergens halfweg, soms vroeger, soms later, fluistert er iets in je hoofd dat je op bent, dat dit niet meer gaat, dat je alles al gegeven hebt wat er te geven viel — en dat gevoel is echt, die uitputting is echt, die pijn is echt, maar het stemmetje dat zegt dat je klaar bent, dat liegt. Je zit op dat moment op misschien 40 procent van wat je lichaam en geest aankunnen, en je brein trekt de noodrem niet omdat je leeg bent, maar omdat het je wil beschermen tegen het onbekende dat nog voor je ligt, tegen de kilometers die het nog niet kan overzien. 

Wat je dan doet — en ik zeg dit vanuit eigen ervaring, niet vanuit theorie — is simpel, maar niet makkelijk: je kijkt niet naar de finish, je kijkt niet naar hoe ver je nog moet, je kijkt naar de stap die voor je ligt en alleen naar die stap, je zet hem, en dan kijk je naar de volgende, en zo blijf je gaan, één centimeter per keer, omdat de hele weg overweldigend is maar die ene stap altijd haalbaar is. Dat geldt voor een trail, maar het geldt evengoed voor een verslaving die je wil loslaten, voor een depressie waaraan geen einde lijkt te komen, voor een nacht waarvan je niet gelooft dat er ooit nog een ochtend volgt — de techniek is telkens dezelfde, en de techniek werkt, omdat ze simpelweg geen ruimte laat voor de grote vraag, alleen voor de kleine. 

Er is een verschil tussen rusten en opgeven, en dat verschil is belangrijker dan de meeste mensen beseffen, want rusten is slim en rusten is strategie — de meest ervaren atleten bij een ultra zijn niet de snelsten aan de checkpoints, maar de efficiëntsten, degenen die weten wanneer ze even gas moeten terugnemen zodat ze later kunnen doorduwen — maar opgeven is iets fundamenteel anders, opgeven is een permanente beslissing nemen op basis van een tijdelijke situatie, en dat is het gevaar in de donkerste momenten van je leven: je neemt de zwaarste beslissingen op je slechtste, meest uitgeputte, meest hopeloze moment, precies wanneer je het minst in staat bent om ze te nemen. 

Na elke nacht komt er een ochtend, en dat klinkt als een goedkope spreuk op een dagkalender, maar ik heb het te vaak meegemaakt om het nog weg te wuiven — de diepste putten waar ik ooit in zat, eindigden allemaal, zonder uitzondering, elke keer opnieuw — en dus als je moe bent: leg je neer, slaap, huil als je moet, vraag hulp, adem, doe wat je moet doen om te herstellen, maar geef niet op, want de situatie die nu permanent aanvoelt, is dat niet. 

Nu wordt het oncomfortabel, want ik ga je iets zeggen dat je misschien niet wil horen: sommige mensen blijven hangen, niet omdat ze niet kunnen bewegen, maar omdat de slachtofferrol iets oplevert — aandacht, medelijden, een stille vrijstelling van de verplichting om iets te doen — en ik zeg dit niet om te veroordelen, want ik heb die warme, zachte deken van “boehoe, arme ik” zelf ook gekend, die comfortabele ellende die je op zijn plaats houdt terwijl je er tegelijk de energie niet voor hebt om eruit te klimmen. Maar medelijden bouwt niets op, medelijden houdt je waar je bent, en respect, doorzetting en overwinning leveren meer op dan aandacht en medelijden ooit zullen doen — niet als wijsheid die ik je opdring, maar als iets dat ik met mijn hele lichaam heb uitgetest. 

Op een bepaald moment moet je boos worden, niet als zelfhaat maar als brandstof, strontmoe van je eigen situatie, strontmoe van de rol die je jezelf toelaat, en dan zet je een stap — niet de stap naar de finish, want die is te ver, maar de stap die voor je ligt, de enige stap die telt. 

Dit jaar keer ik terug voor de Bello Gallico. 160 kilometer. Ik wil die medaille, en ik ga hem halen. Maar ik doe er de Great Escape bij — 80 kilometer met serieuze hoogtemeters — en daar nog een derde trail bovenop, zodat ik in totaal op 336 kilometer uitkom, drie events, één jaar, één antwoord op die december in 2025. 

Wat ik er ook bij vertel, is dit: de voorbereiding verloopt allesbehalve optimaal. De nasleep van mijn Xanax-verslaving is op dit moment heel heftig aanwezig — mentaal is het momenteel heel zwaar, slopend op een manier die moeilijk uit te leggen is aan iemand die het niet heeft meegemaakt — en fysiek kan ik op dit moment 4 kilometer wandelen zonder erge pijn, waarna het begint, waarna mijn lichaam me eraan herinnert dat er nog een lange weg te gaan is, letterlijk en figuurlijk. In twee maanden begint de eerste trail. De kloof tussen waar ik nu sta en waar ik moet staan, is groot, en ik ben me daar volledig van bewust. Ik ga dit doen op mijn manier, ik ga mijn eigen ding doen met het oog op die medaille en die finish. Niet alleen voor die trails maar ook en vooral op mijn mentale toestand. Het is niet omdat het nu even wat minder gaat, dat die toestand blijvend is, integendeel.  

En toch brandt het vuur met de dag heviger. Niet ondanks alles wat er gebeurd is maar dankzij alles wat er gebeurd is. Dankzij elke keer dat iemand me heeft onderschat, op me neergekeken heeft, zichzelf beter heeft gevoeld ten koste van mij. Dankzij iedereen die nooit in me heeft geloofd, die me stilletjes heeft afgeschreven, die dacht te weten wat ik wel en niet aankon. Dankzij die persoon die liever mijn kaars uitblaast om zelf helderder te kunnen schijnen. Dankzij de persoon die me onlangs zei dat ik moet leren leven met het gebrek aan energie, dat ik geen normaal leven meer kan hebben. Ze weten wel wie ze zijn, en als ze dit lezen, weten ze ook aan wie ik dit opdraag. 

Want dat is het verschil tussen overleven en terugkomen: overleven doe je ondanks de pijn, terugkomen doe je er middenin, gedreven door alles wat je gebroken heeft, alles en iedereen die je klein heeft proberen te maken, alles wat je had moeten doen opgeven maar dat uiteindelijk alleen maar meer vuur heeft gegeven. 

En dan is er nog dit — iets dat ik zelden hardop zeg maar dat hier thuishoort: datzelfde brein dat me die dag in 2018 vertelde om alles op te geven, datzelfde brein overtuigt me nu dat ik die drie trails ga finishen. Hetzelfde brein. Dat is geen toeval en geen geluk — dat is wat er gebeurt als je niet opgeeft op een slechte dag, als je blijft gaan terwijl alles in je schreeuwt om te stoppen, als je lang genoeg doorloopt om te ontdekken wat er aan de andere kant van de duisternis ligt. 

Mijn rustpauze is nu voorbij. Ik ga dit doen op mijn manier, ik ga mezelf mentaal en fysiek terugvechten naar waar ik moet zijn, en ik zal hun ongelijk bewijzen op de enige manier die telt: door te finishen terwijl zij het niet mogelijk achtten. 

Als ik op km 80 “ja” had gezegd op die vraag van die verzorgster, als ik had opgegeven op het moment dat het kon, dan had ik mezelf iets bewezen waar ik de rest van mijn leven mee geleefd had — dat ik een opgever ben, dat ik wegloop als het te zwaar wordt. In plaats daarvan liep ik nog 36 kilometer op kapotte knie en trailstokken als krukken, en dát is het bewijs dat ik bij me draag, niet de medaille die ik niet haalde, maar de kilometers die ik liep nadat mijn lichaam al nee had gezegd. 

Dát ben ik. En als je diep genoeg graaft — dat ben jij ook. 

Let maar eens goed op.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven