Maandag begin ik

 

Over twijfel, vermoeidheid, een knie die ik koester, en drie trails die ik moet finishen. 

Er is een stemmetje in mijn hoofd. Het is er ’s morgens al als ik wakker word, nog voor ik mijn eerste stap heb gezet, nog voor ik het licht heb aangedaan, nog voor ik ook maar één seconde de kans heb gehad om de dag een eerlijke kans te geven. Het fluistert — soms zacht, soms minder zacht — dat ik te moe ben, dat ik niet genoeg discipline heb, dat ik iemand ben die opgeeft. En ’s avonds, na een dag die zwaar was, na een dag waarop mijn lichaam me vroeg om te stoppen, zegt datzelfde stemmetje met een soort triomf in zijn stem: zie je wel? 

Ik ken dat stemmetje al een tijdje. En ik weet ook dat het veel te groot is geworden, veel te luid, veel te aanwezig in mijn leven. Mijn innerlijke criticus is meedogenloos. Op dagen dat ik een lange wandeling maak, zegt hij dat het niet snel genoeg was. Op dagen dat ik moe ben en toch beweeg, zegt hij dat het niet genoeg is. Er is geen dag waarop ik in zijn ogen goed genoeg ben geweest, en dat is iets waar ik mee moet leren leven — of beter gezegd, iets waar ik elke dag opnieuw tegen moet leren vechten, met alles wat ik heb. 

Mijn partner liet me onlangs iets inzien, tijdens een wandeling in een prachtig natuurgebied, op een van die momenten waarop de natuur groter is dan je gedachten en de stilte ruimte maakt voor echte woorden. Ze zei dat het niet altijd over presteren hoeft te gaan, dat een wandeling ook gewoon mooi mag zijn, dat ik er ook gewoon van mag genieten zonder in mijn achterhoofd te berekenen of ik snel genoeg ging, of ik die steile beklimming vlot genoeg nam, of ik wel goed genoeg bezig was. En ze had gelijk. Want op dagen dat ik maar zestig procent kan geven, is die zestig procent eigenlijk honderd procent — omdat het honderd procent is van wat ik die dag had. Dat klinkt eenvoudig. Het is het moeilijkste wat er is. Ik hoef niet zo ontzettend streng te zijn voor mezelf… Ik mag wat liever zijn voor mezelf. 

Maandag begin ik met een vaste trainingsstructuur. Twee keer per week kinesitherapie, dagelijks wandelen, Basic Fit, thuis oefeningen voor mijn knie, en echt letten op mijn voeding. Tien kilogram wil ik verliezen. Niet voor de spiegel, niet voor anderen, maar omdat ik weet dat elke kilo minder, tien minder is voor mijn mijn knieën om te dragen, tien minder voor mijn rug, tien minder in de bergen die ik dit jaar wil beklimmen. 

En dan is er die knie. De reden waarom ik nu twee keer per week naar de kinesist ga is niet omdat het pijn doet — dat doet het niet — maar omdat ik vorig jaar heb moeten stoppen door knie-problemen en omdat ik dat dit jaar absoluut niet opnieuw wil meemaken. Ik wil het gevoel hebben dat ik dit probleem serieus aanpak, dat ik er alles aan doe, dat als ik ergens in die bergen sta en mijn benen beginnen te protesteren, ik kan zeggen dat ik alles heb gedaan wat ik kon doen. Een garantie bestaat niet. Blessures kun je niet volledig uitsluiten, hoe goed je ook voorbereid bent, en ik heb geleerd om daar niet te lang bij stil te staan, want dan word ik nog gekker in mijn hoofd dan ik al ben. 

De vermoeidheid. En die is anders dan de vermoeidheid die je kent na een sportieve dag, na een lange wandeling, na een nacht te weinig slapen. Dit is de vermoeidheid van een lichaam en een geest die 700 dagen afkickten, de vermoeidheid van een geest die nog elke dag vecht tegen de paniek, het verleden,… . De Xanax golven. Ze komen en ze gaan, onvoorspelbaar, verraderlijk. De zwaarste golf tot nu toe waarvan ik denk dat die nu bijna achter me ligt want ik voel me de laatste dagen iets beter — maar elke ochtend word ik wakker met de vraag: is dit vandaag een goede dag, of komt die golf terug? Sommige artsen spreken over maanden. Andere over jaren. En soms, als ik dat lees of hoor, sluipt er even iets van moedeloosheid naar binnen, voor ik het kan tegenhouden. 

Die vermoeidheid maakt trainen zo moeilijk. Niet alleen fysiek, maar mentaal. De eerste stap zetten, de sporttas pakken, naar Basic Fit rijden — dat klinkt zo gewoon, maar op een dag waarop je lichaam en hoofd al op volle kracht draaien, is die eerste stap een berg op zichzelf. En dan zit ik daar, en ik denk aan wat anderen van me denken, of ze zien dat ik tien kilo te veel heb, of ze me misschien uitlachen, en ik weet dat ik dat moet loslaten, dat ik er niet aan moet beginnen, dat het er niet toe doet — maar het loslaten zelf kost energie, energie die ik niet altijd heb. 

En toch. Maandag begin ik. 

Want er zijn drie trails die wachten. De Great Escape, tachtig kilometer. De Weg des Herdenkens, zesennegentig kilometer. En dan is er Bello Gallico. Honderdzestig kilometer. Vorig jaar stopte ik op kilometer 116. Ik liep tot ik niet meer kon, tot mijn lichaam zei dat het klaar was, en ik accepteerde dat, maar ik heb die finish nooit losgelaten. Die finish staat in mijn hoofd gegrift, als een belofte aan mezelf die ik nog niet heb ingelost. 

Hetzelfde brein dat me ooit overtuigde dat ik er niet meer wilde zijn, dat me overtuigde dat het voorbij was, dat er geen weg meer vooruit bestond — dat brein gaat nu al die trails finishen. Laat dat even bezinken. 

Ik wil iets bewijzen met die 160 kilometer. Aan anderen, aan mezelf, aan het leven dat ik heb geleefd en aan alles wat ik heb meegemaakt — de verslaving, de narcistische relatie, de zelfmoordpoging, de jaren dat ik dacht dat het voorbij was. Ik kroop uit een diep dal. En nu, met die rugzak vol littekens, ga ik een finish lopen die anderhalf jaar geleden compleet ondenkbaar leek. 

Ik weet dat ik harder moet trainen dan de meeste mensen die naast me aan de start staan. Want zij vertrekken vanuit een andere positie. Niet beter of slechter, maar anders. Zij vertrekken vanuit een stabielere basis. Ik vertrek vanuit twijfel, vermoeidheid, angst, onzekerheid, Xanax golven en een innerlijke criticus die me elke ochtend vertelt dat ik het toch niet ga halen. En net daarom, precies daarom, is wat ik wil bereiken zo veelzeggend — niet alleen voor mezelf, maar voor iedereen die dit leest en zichzelf ergens in dit verhaal herkent. 

Want als ik dit kan doen — met alles wat ik meedraag, met alle twijfel die ik voel, met die vermoeidheid die me soms op de knieën wil duwen — dan wil ik dat jij dat ook ziet. Dat jij, met jouw moeilijkheden, jouw donkere dagen, jouw innerlijke stemmetje dat ook veel te luid spreekt, misschien even stilstaat en denkt: als hij het probeert, kan ik het ook. 

De engel des hoop is de duivels ergste vijand. 

Het leven stopt niet. 

Maandag begin ik.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven